Vanavond zullen mijn gedachten vooral uitgaan naar Rudi Bloemgarten, die meewerkte aan de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister. In het recent verschenen ‘Herinneringscahier’ staat een reeks gedichten gewijd aan de nagedachtenis van Bloemgarten die op 1 juli 1943 in de duinen bij Overveen geëxecuteerd werd. Marjan Hopman (pseudoniem voor Henriëtte (‘Jet’) Kijzer) schreef op een van haar veertien onderduikadressen over Bloemgartens executie een reeks van zes gedichten, opgenomen in ‘Herinneringscahier 1940-1945′. Rudi was Henriëtte’s eerste vriendje. Zij was 19 toen ze het eerste gedicht schreef. Het tweede gedicht uit de reeks is getiteld ‘De zoon’ en luidt als volgt:
Haar heb ik steeds het allermeest bemind,
zij was mijn moeder, ik haar eerste kind.
Haar beste liefde heeft zij mij gegeven,
ik mijn vader uit haar hart verdreven.
Ik heb haar leed, zij heeft mijn leed geleden,
zij heeft zich voor mijn leven moe gestreden.
Want zij, de zwakke, baande het pad voor mij,
ziekten van ’t eigen lijf negeerde zij,
en spaarde slechts haar laatste zwakke krachten
om nog mijn glorie af te kunnen wachten.
De oorlog kwam… ‘k Hielp met het saboteren
der vijanden, die ons als lijk begeren!
Thans sta ik, moeder, hier tegen een muur…
Waar zijt gij, moeder, in mijn stervensuur?
U heb ik steeds het allermeest bemind,
Gij zijt mijn moeder. Ik was uw eerste kind.
M.H.
29.7.43